Met straffe hand.... tucht en discipline in het Amsterdamse Rasphuis Van 13 december 1996 tot 14 februari 1997 organiseren doctoraalstudenten Culturele Studies en Kunstgeschiedenis van de UvA in de tentoonstellingszaal een expositie waarin het Rasphuis centraal staat. Het Rasphuis was de eerste Europese strafgevangenis en stond model voor soortgelijke inrichtingen in heel Europa. Voor dit mannentuchthuis werd precies 400 jaar geleden het oude Clarissenklooster aan de Heiligeweg in Amsterdam in gebruik genomen. Het tuchthuis kreeg in de volksmond de naam Rasphuis, omdat de gevangenen tropisch hout tot poeder moesten raspen voor de bereiding van verfstoffen. Het Rasphuis is in 1815 opgeheven en in 1892 afgebroken. Tegenwoordig resteert slechts het toegangspoortje aan de Heiligeweg. Evert Jansz De daden van de jonge crimineel Evert Jansz waren de directe aanleiding om het Rasphuis in 1596 op te richten. De 16-jarige Evert wordt op 22 december 1588 gearresteerd op verdenking van inbraak en diefstal. Evert is dan assistent-kleermaker. Hij had zich laten insluiten in het atelier van zijn baas Joost Jacobsz en had daardoor wat spullen kunnen stelen. Zijn baas geeft hem vervolgens aan. Op 21 januari 1589 wordt Evert door een schout gemarteld. Dit was destijds een gebruikelijke methode om bekentenissen te laten volgen: immers alleen na een bekentenis kon iemand berecht worden. Evert bekent o.a. dat hij eerder twee tinnen borden heeft gestolen, die hij verkocht heeft in een Taveerne waar veel misdadigers komen. Een geseling in het openbaar stond hem te wachten. Maar de schepen van de stad voelden steeds meer weerzin tegen het opleggen van zware lijfstraffen aan jonge mensen. De vraag drong zich op of het leven van zo'n jongeman - vooral omdat hij van respectabele afkomst was... - door hervoeding nog ten goede te keren was. Het vroedschap van Amsterdam (het stadsbestuur) verleende uitstel aan de berechting van Evert en besloot op 19 juni 1989 tot de oprichting van een tuchthuis in het Clarissenklooster. De zusters Clarissen worden gedwongen hun klooster aan de Heiligeweg te verlaten. Het Rasphuis is in 1596 officieel geopend en kort daarna is Evert berecht. Hij kreeg nog wel zweepslagen, geldend als een lichte lijfstraf, in combinatie met dwangarbeid bij openbare werken. Evert heeft dus geen hout geraspt, maar wel hard gewerkt aan het versterken van dijken en stadsmuren en het aanleggen van wegen. Coornhert en Hooft Tot die tijd waren openbare straffen aan de orde van de dag. De theorieën van D.V. Coornhert (1522-1590) en C.P. Hooft (1547-1626; de vader van P.C. Hooft) lopen als een rode draad door de tentoonstelling, aan de hand van het verhaal van Evert Jansz. Zodoende krijgt de bezoeker van de tentoonstelling inzicht in de processen die van invloed zijn geweest op het ontstaan en functioneren van gevangenissen en straffen. Coornhert had het idee dat gevangenissen en werkstraffen afschrikwekkender werken dan lijfstraffen en de doodstraf. Hooft zag de werkstraf juist als een mildere straf en zag het als een middel om jonge delinquenten door discipline en religie her op te voeden. Dagelijks leven in het Rasphuis Naast jonge delinquenten gaan de eerste jaren ook bedelaars en zwervers naar het Rasphuis. Er gelden strenge morele en godsdienstige huisregels. Zo worden - bij wijze van 'speciaal welkom'- nieuwkomers gedurende twee weken in een donkere cel op een dieet van water en brood gezet. Andere disciplinaire maatregelen zijn: verscherping van de ketening, afranseling met de roe op de binnenplaats van de inrichting en een verblijf op 'het rooster' (gehangen boven een waterput) voor maximaal vijf dagen. Een belangrijke dagvulling voor gezonde gevangenen is het raspen van tropisch hout. Twee aan twee voeren de gevangenen, in de werkhokken, hun arbeid uit. Soms aan de voeten geketend, bewegen zij een zware raspzaag over zes acht bladen over de blokken hardhout. Het Rasphuis dient per week driehonderd pond geraspt hout aan de verfindustrie af te leveren. Er kan zelfs geld aan verdiend worden: door overwerk te verrichten kunnen de gevangenen 'Rasphuismunten' verdienen. Deze munten worden vermoedelijk ingeruild tegen extra eten of drinken. Zwakkeren moeten weven of hout sprokkelen. Hardwerkende gevangenen krijgen calorierijk eten, maar geen ontbijt: 's middags erwten, paardebonen en gort, s 'avonds karnemelk met gort van haver en gerst, dit alles aangevuld met boter en vet. Ook krijgen ze elke dag twee pullen bier, één keer per week stokvis en één keer per week gezouten of gerookt vlees of spek. Rijke gevangenen krijgen vaak beter eten. Binnen het Rasphuis ontstaat ook een geheime afdeling. Daar zijn 'wittebroodskinderen' vastgehouden: jongens of mannen die, vanwege ongewenst gedrag, op verzoek van hun familie tegen betaling van kostgeld worden opgesloten. Deze losbandigen en krankzinnigen zouden immers het aanzien van de familie schaden. Ramptoerisme In de tijd dat het Rasphuis bestaat, is het normaal dat er mensen komen kijken, bijvoorbeeld voor familiebezoek. Maar ook een bezoekje aan het tuchthuis als vermaak komt regelmatig voor: een vroege vorm van ramptoerisme dus. Er moet zelfs voor betaald worden! Daarnaast komen hoogwaardigheidsbekleders uit binnen- en buitenland naar het Rasphuis om te kijken hoe het functioneert, zodat ze in eigen stad of land een soortgelijk tuchthuis kunnen stichten. Ook het Spinhuis, het evenbeeld van het Rasphuis maar dan voor vrouwen, verheugt zich in deze belangstelling. Veel ervaringen van deze reizigers zijn aan ons overgeleverd via reisverhalen. Overigens ook nu nog worden Nederlandse gevangenissen en het detentiebeleid als (positief of negatief) voorbeeld gebruikt in het buitenland. Wat is er te zien? In de tentoonstelling zullen prenten en citaten uit 17e en 18e eeuwse boeken, archiefstukken, portretten, foto's en authentieke objecten uit het Rasphuis te zien zijn aan de hand van enkele thema's. Zij illustreren de processen die van belang zijn geweest voor het ontstaan van gevangenissen in Nederland. De tentoonstelling geeft een indruk van de verschillende opvattingen over straffen ten tijde van de oprichting van het Rasphuis en van het leven in deze instelling. Ook zijn er verwijzingen naar het hedendaagse gevangeniswezen. De tentoongestelde objecten zijn grotendeels afkomstig uit de collectie van de Universiteitsbibliotheek. Ook zijn er bruiklenen te zien van het Museum Gevangenpoort (o.a. hand- en voetboeien, schandborden en een rasp), het Amsterdams Historisch Museum, het Rijksmuseum en het Gemeente Archief Amsterdam. Lezingen Tijdens de tentoonstelling zullen vier avondlezingen plaatsvinden. Deze lezingen worden op 9, 16, 23 en 30 januari 1997 gehouden in de Universiteitsbibliotheek. Op deze donderdagavonden zal ook de tentoonstelling geopend zijn. Catalogus en 'vriendenmapje' Bij de tentoonstelling verschijnt een kleine catalogus met artikelen over het Rasphuis en andere onderwerpen binnen het gevangeniswezen. Onder auspiciën van de Vereniging van Vrienden van de UB vervaardigt De Ammoniet weer een 'vriendenmapje': 5 ansichtkaarten met een katern toelichtingen en een boekenlegger (f 15,=). De kaarten zijn ook los te koop in de tentoonstellingszaal à f 1,50; boekenleggers à f 1,=. "Verder moeten de huismoeders goed opletten op diegenen die niet hard genoeg werken. Als ze vaststellen dat dit het gevolg is van luiheid, dan moeten ze deze luiaards die zich hier bij herhaling aan schuldig maken aangeven bij de schout die zulke figuren in een gevangenis moet opsluiten waar men zo lang als het nodig is vlijtig kan leren werken." D.V. Coornhert Monique Kooijmans, UB |